Puppytest

"Een pup is niet voor even, maar voor het hele leven"

waarschuwen de makers van de Walt Disney speelfilm 101 Dalmatiërs.

Daarom worden alle pups die binnen de Flatcoated Retriever Club (FRC) met advies van de Begeleiding Commissie (BC) gefokt worden op de leeftijd van zeven weken aan een uitvoerige gedragstest onderworpen.

Het beeld dat daaruit naar voren komt wordt door de fokker gebruikt om te zorgen dat de pup geplaatst wordt bij een eigenaar bij wie het karakter en de aanleg van de pup zo goed mogelijk tot hun recht komen. Tenslotte moeten baas en hond wel tien jaar of meer met elkaar door het leven en dan is een 'onverenigbaarheid van karakters' niet gewenst.

* Een Flatcoat die niet zo dol is op een bek vol veren, baalt van een jager die hem voortdurend eend wil laten apporteren, terwijl de jager niet blij is met een hond die zijn passie niet deelt.

* Een energieke, werkgrage pup gaat zich al gauw stierlijk vervelen bij mensen die een huishond zoeken waarmee ze slechts een flink ommetje door het park willen maken (en die dus beter een minder intelligent en levenslustig ras of nog beter helemaal geen hond kunnen nemen), terwijl zijn bazen al evenmin verheugd zullen zijn als hun hond het meubilair verorbert om de tijd te verdrijven.

* Van een gevoelige, onzekere pup blijft niets over als hij bij een baas belandt die er graag te pas en te onpas als een sergeant-majoor op los buldert, terwijl zijn baas het niet zo leuk zal vinden als zijn hond bij iedere joviale uitroep onder de bank verdwijnt om er het eerste uur niet meer onder vandaan te komen.

Vandaar dat bij de FRC de fokker, rekening houdend met de voorkeuren en de 'thuissituatie' van de toekomstige eigenaar, bepaalt welke pup bij welke baas terechtkomt.

De gedragstest is daarbij een waardevolle aanvulling op hetgeen de fokker al weet door zijn observaties van de pups in het nest.

De test is dus niet om te kijken of de pup 'goed' of 'slecht' is, maar om inzicht te krijgen in de aanleg, het karakter en de eigen persoonlijkheid van iedere pup.

En net als bij de mens verschilt deze van pup tot pup.

 

De test wordt afgenomen op een leeftijd van 7 weken (plus of minus hooguit één of twee dagen). Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat dit de meest ideale leeftijd is om pups te testen: het zicht, het coördinatievermogen en de motoriek van de pup zijn dan voldoende ontwikkeld. Bovendien zijn juist op die leeftijd de drang om te vluchten voor het onbekende en de neiging tot toenadering met elkaar in evenwicht, zodat de test een optimaal beeld geeft van de persoonlijkheid van de pup.

De pup wordt getest door een onbekend persoon en op onbekend terrein, zodat hij geen steun kan ontlenen aan een vertrouwde omgeving. Zo kan goed bekeken worden hoe hij zich gedraagt als hij op eigen benen moet staan en hoe hij reageert in een nieuwe omgeving.

Veel mensen vragen zich af hoe betrouwbaar zo'n test nu is: het is toch een momentopname; misschien is de pup op die dag niet in zijn beste doen of is hij slaperig?

In het algemeen blijkt dat de test een goed beeld geeft van de persoonlijkheid van de pup.

De test duurt lang genoeg (20-25 minuten per pup) om ook bij hondjes die langzaam op gang komen inzicht te krijgen in hun 'ware' aard. Uiteraard kunnen door training en opvoeding later bepaalde eigenschappen verder worden ontwikkeld of juist worden geremd, maar de basistrekjes die een hond heeft komen onveranderlijk uit de test naar voren.

Niet voor niets steeg bij de selectie van blindengeleidehonden waarvoor de puppytest oorspronkelijk is ontwikkeld de kans op succes van 9% (zonder test) naar 90% (met test).

Ook indien pups de volgende dag opnieuw worden getest blijken de karaktertrekjes die de eerste maal naar voren kwamen opnieuw tot uiting te komen. Met de willekeur van een 'momentopname' blijkt het dus wel mee te vallen.

 

De puppytest bij de FRC bestaat uit de welbekende testjes van Campbell die zijn aangevuld met wat jachthondenproefjes en testjes die ontworpen zijn door Michael Fox. Zo wordt ook gekeken hoe de pup reageert op vreemd geluid, een vreemd voorwerp en op intimidatie. Probleemoplossend vermogen en leervermogen worden nagegaan aan de hand van de 'hekjestest' en de 'kokertest'.

Bij de jachthondentestjes wordt gekeken of de pup 4 voorwerpen wil apporteren en hoe hij deze terugbrengt. Verder wordt er met pens een geur parkoersje gelopen met de pup waarbij men let op de windrichting, zodat de pup het vlees kan ruiken.

Het gedrag c.q. de reactie van de pup wordt per onderdeel genoteerd en op basis van het totaal wordt door de testers een karakterprofiel opgesteld, met wat adviezen aangaande opvoeding en plaatsing.

Er zijn ook wel eens mensen die verontwaardigd roepen dat de uitkomst van een test niet altijd 'eerlijk' is, omdat sommige fokkers onderdelen van de test oefenen. Dergelijke mensen gaan er ten onrechte van uit dat de test een soort examen is waarvoor de pup kan 'slagen' of 'zakken'.

Het gedrag dat de pup vertoont, wordt bepaald door enerzijds zijn erfelijk bepaalde aanleg en anderzijds de mate waarin hij is ingeprent c.q. gesocialiseerd, kortom de mate waarin hij heeft gemaakt met verschillende wezens, zaken en situaties. (Wie meer wil weten over de zo belangrijke inprenting en socialisatiefase die valt tussen de 4e en de 12e week leze de hieronder opgegeven literatuur.) Een pup die bij de fokker goed is gesocialiseerd doordat hij bijvoorbeeld de woonkamer dagelijks mag verkennen, allerlei speeltjes van verschillend materiaal heeft om mee te spelen, vertrouwd is met geluiden zoals radio, televisie, stofzuiger, allerlei verkeer, rammelende potten en pannen, en kennis heeft gemaakt met veel verschillende mannen, vrouwen, kinderen, honden en andere dieren, heeft een beduidende voorsprong op een pup die opgroeit in een kennel achteraf, waar weinig geluiden doordringen, waar alleen een oude lap in ligt en waar hij verder niet of nauwelijks uitkomt. De fokker die met zijn pups oefent, met hen speelt, ze de woonkamer laat verkennen en ze (zodra ze geënt zijn) buiten mee naar nieuwe plaatsen neemt, het onbekende tegemoet, is bezig zijn pups te socialiseren en geeft ze daarmee de best mogelijke start voor zijn verdere leven.

Voor de goed gesocialiseerde pup, die al wat heeft meegemaakt, zijn de situaties waarmee hij tijdens de test kennismaakt dan ook al wat gewoner en minder nieuw en hij treedt deze dan ook meestal gemakkelijker tegemoet dan de slecht gesocialiseerde pup, waarvoor ieder geluid, ieder ding, ieder mens volkomen nieuw is. Meestal, want men moet niet vergeten dat alles tijdens de test voor de pup, ook voor de goed gesocialiseerde, nieuw is: de tester, het terrein, de voorwerpen, ook al lijken ze misschien op zaken die hij al kent. En juist door al dit nieuwe verloochent de basisaanleg van de pup zich niet. Hondjes die terughoudend van aanleg zijn, zullen dat ook tijdens de test zijn al zijn ze nog zo goed gesocialiseerd; pups die apporteren niet zo leuk vinden, zullen dat tijdens de test laten blijken, al heeft de fokker zich suf geoefend.

 

 

Campbell test en intimidatie In de puppytest van de FRC is de zogenaamde Campbell test opgenomen. Hiermee wordt voornamelijk de mensgerichtheid en de mate waarin de pup de (sociale) overheersing van de mens accepteert getest.

Nadat de pup op de grond is neergezet en even de kans heeft gehad om een plasje te doen en te kijken waar hij nu is beland, roept de tester hem. Gekeken wordt hoe de pup komt. Is dat vlot en vrolijk of aarzelend, omdat hij het een beetje eng vindt? Of vindt hij zijn omgeving gewoon veel interessanter dan de tester?

Nadat de pup kennis heeft gemaakt met de tester en even over zijn bol is geaaid, loopt de tester weg en kijkt of en hoe de pup volgt. Een pup die op mensen is ingeprent zal in een totaal vreemde omgeving altijd geneigd zijn de tester te volgen omdat deze het enige bekende (een mens) in de omgeving is. Bevindt de pup zich op bekend terrein of zichtbaar/ruikbaar vlakbij iets of iemand dat erg bekend of vertrouwd is (fokker, huis van de fokker, honden van de fokker) dan zal hij eerder blijven waar hij is: in de buurt van het meest vertrouwde. Vandaar dat het dus alleen zin heeft om de test af te nemen op een duidelijk onbekend terrein en ook dat de fokker, andere pups uit het nest, andere honden en de kennel niet duidelijk zichtbaar, ruikbaar of hoorbaar mogen zijn vanaf het testterrein.

Het komt dan ook zelden of niet voor dat een pup niet volgt als het terrein onbekend is.

De wijze waarop kan echter nogal verschillen. Een pup die mensen erg interessant, leuk of vertrouwenwekkend vindt zal de tester aan de voet of vlak op de voet volgen, terwijl een ondernemend, onderzoekend of zelfstandig typetje de gelegenheid te baat neemt om zijn omgeving intussen te verkennen; hij stopt even als hij een interessant luchtje of een afgewaaid blaadje of iets dergelijks tegenkomt en volgt wat minder dicht.

De lichaamshouding die de pup aanneemt, en vooral de houding van zijn staart, geven tegelijkertijd aan hoe hij zich voelt. Een zelfverzekerde pup zal bijvoorbeeld vrolijk kwispelen, terwijl een wat angstig of onzeker hondje een houding aanneemt die we in vakjargon ‘gedrukt’ noemen: hij ziet er wat schichtig uit alsof hij bang is dat elk ogenblik de hemel boven op hem zal vallen en houdt zijn staart laag.

Heeft de pup bovendien weinig vertrouwen in de mens dan zal hij ook voortdurend kijken of hij ergens een veilig plekje kan vinden om onder weg te duiken.

De wijze waarop de pup volgt geeft dus al een aardige indruk van het karakter, al is het niet meer dan een eerste indruk, die vaak moet worden bijgesteld. Sommige hondjes beginnen namelijk wel vrolijk en vlot, maar blijken naarmate de test vordert toch niet echt zo heldhaftig te zijn; anderen zijn kat-uit-de-boom kijkers die, als ze eenmaal ontdooit zijn, het leven een groot feest vinden.

Sommige pups storten in en veranderen in zielenpietjes, andere worden helemaal gek en maken de vreemdste bokkensprongen. Maar natuurlijk zijn er ook pups die de hele test door hetzelfde gedrag blijven vertonen. Op voorhand of op basis van het volgen alleen is daar maar weinig van te zeggen.

Tijdens het volgen loopt de tester langst een plaats waar wat pens ligt rekening houdend met de windrichting, om te zien of de pup tekent op de lucht van de pens en of hij zijn neus wil volgen, waarna de pup wat pens mag eten.

Apporteren  Natuurlijk wordt bij de FRC puppytest gekeken of en hoe de pups apporteren. Tenslotte worden Flatcoats mede gefokt om wild te apporteren en het is het doel van de FRC om hun dual purpose karakter te waarborgen. Ook nu er steeds minder gejaagd mag worden, is en blijft het van het grootste belang ervoor te zorgen dat de specifieke jachteigenschappen van de flatcoat onverminderd behouden blijven. Niet zozeer in het belang van de happy few die nog jagen, maar vooral in het belang van al degenen die voor de Flatcoat kiezen omdat het zo’n leuke, sociale hond is.

 

Wie denkt dat het niet zo belangrijk is of een Flatcoat ook goede werkeigenschappen heeft omdat hij hem alleen als huishond heeft en er toch niet mee jaagt, begaat een gruwelijke vergissing. Het is het verlangen om voor en samen met de baas te werken, kortom de will to please, en de apporteerdrift die de Flatcoat maakt tot de gemakkelijk op te voeden, prettige, vriendelijke sociale gezinshond die hij nu ook is. Het is niet voor niets dat de gedragsstoornissen en -problemen hand over hand toenemen bij rassen waar de door de jaren, soms zelfs eeuwen geselecteerde werkeigenschappen (gedeeltelijk) verloren zijn gegaan.

 

 

 

Vrijwel aan het begin van de test, vlak na de kennismaking met de tester en het volgen, wordt gekeken of de pup vier verschillende voorwerpen wil apporteren. De tester speelt met het

voorwerp en gooit het vervolgens een eindje weg.

De meeste hondjes vinden dit een reuzeleuk spelletje.

Ze rennen er achter aan en pakken het op. Maar lang niet alle hondjes brengen het voorwerp ook terug. Sommigen willen het maar al te graag zelf houden: ze gaan er lekker op liggen kauwen of lopen er hard mee weg: hun buitdrift is groter dan hun will-to-please. Pups vinden ook niet alle voorwerpen even leuk of hebben een uitgesproken voorkeur.

 

Niet alle pups gaan echter achter de voorwerpen aan. Het zou echter een misvatting zijn automatisch te denken dat een pup dan helemaal geen apporteerdrift of will-to-please heeft. Er kunnen heel verschillende redenen zijn waarom een pup niet wil apporteren. Sommige pups zijn inderdaad gewoon niet geïnteresseerd in de tester en diens spelletjes en vinden andere dingen veel leuker. Sommige pups vinden de tester daarentegen zo geweldig dat ze niet bij deze weg te branden zijn en helemaal geen oog hebben voor iets anders. Anderen vinden het voorwerp wel erg interessant, maar toch ook een beetje eng: ze durven het niet vast te pakken en deinzen op het laatste moment terug. Als deze hondjes echter eenmaal weten dat het voorwerp niet eng is om vast te pakken dan kunnen het best fanatieke apporteerders blijken te zijn die het maar al te leuk vinden om wat voor de baas te doen. Verder komt het ook voor dat een pup zo onder de indruk van de test, de nieuwe omgeving of de tester is, dat hij te onzeker en teveel bezig met het verwerken van nieuwe indrukken is om te kunnen apporteren. Ook deze pups kunnen best goede apporteerders blijken te zijn als ze eenmaal vertrouwen hebben gekregen, al zullen ze altijd even moeite hebben met een nieuwe omgeving.

Aan het einde van de test wordt het apporteren nog een keer herhaald. Hondjes die wat meer tijd nodig hebben om aan de nieuwe omgeving en de tester te wennen kunnen dan alsnog op apporteerdrift en will to please beoordeeld worden. Er is ook nog een andere reden. Door het apporteren te herhalen kunnen wij ook het herstelvermogen en de stabiliteit van de pup testen. De pups krijgen tijdens de test tenslotte ook wat minder prettige dingen te verwerken. Gevoelige hondjes die aanvankelijk heel enthousiast zijn, gaan vaak de test gaandeweg steeds minder leuk vinden en worden onzeker. Het is belangrijk om te weten of de pup daarvan gemakkelijk herstelt als je weer wat leuks gaat doen. Bovendien wordt zo de test op een leuke, positieve manier met spel afgesloten waardoor een eventueel wat geschonden vertrouwen in de tester hersteld kan worden. Ook voor de pups die alles aan de test even leuk vinden, is een herhaling nuttig. Ze zijn inmiddels aan de tester en het terrein gewend en worden wat brutaler. Je ziet dan ook vaak dat hondjes die eerst alles nog keurig bij die nog een beetje indrukwekkende mevrouw of meneer terugbrachten, er nu lekker het ‘bos’ mee ingaan.

De jachthondenproefjes vormen een zeer wezenlijk en belangrijk onderdeel van de puppytest.

Niet alleen omdat ze wat zeggen over de jachtaanleg van de pup, maar ook omdat ze, meer dan de Campbell testjes, wat vertellen over het karakter. Juist omdat de pups er ongedwongen zichzelf bij kunnen zijn, kan een goede observator er heel wat karaktertrekjes uit aflezen. En ook mede daarom is het zo belangrijk dat de nieuwe eigenaar ook al die leuke apporteerspelletjes met zijn pup gaat doen: het is namelijk de snelste en leukste manier om je pup te leren kennen en er een goede band mee te krijgen.

Hekje. Van groot belang voor de opvoeding en training is het om te weten hoe goed het leer vermogen en het probleemoplossend vermogen van de pup zijn. We spreken van een goed probleem oplossend vermogen wanneer een hond een nieuw, onbekend probleem snel en zelfstandig weet op te lossen en ook wanneer hij een vaardigheid die hij beheerst weet toe te passen in een totaal nieuwe vorm of situatie.

Hij heeft een goed leervermogen wanneer hij eerder succesvol gebleken gedrag snel weet te herhalen in dezelfde situatie.

Hoe goed deze beide vermogens zijn wordt in de puppytest nagegaan aan de hand van de 'hekjestest' en de "kokertest".

Bij de hekjestest wordt de pup recht achter een hem aan drie kanten omsluitend hekje geplaatst, terwijl de tester hem al achteruitlopend roept. Om bij de tester te kunnen komen moet de pup zich eerst van de tester af bewegen. Gekeken wordt hoe en hoe snel hij achter het hekje vandaan weet te komen. Alleen bij onafhankelijke pups is het soms moeilijk om dit te testen, omdat zij niet erg geïnteresseerd zijn in de tester waardoor zij zich uit desinteresse van deze afkeren en bij toeval de uitgang vinden. Bij pups die echter graag rechtstreeks naar de tester toe willen is het bijna altijd heel duidelijk te zien hoe goed zij zijn in het oplossen van het probleem. Sommige proberen eerst dwars door het hekje heen te gaan en als dat niet lukt gaan ze minutenlang wanhopig zitten jammeren.

Verder ligt er op het terrein nog twee voorwerpen die de pup mag onderzoeken /apporteren of negeren, er wordt gekeken of de pup ze opmerkt en wat zijn actie is op deze voorwerpen

Ze denken gewoon geen seconde na en hen moet dan ook eerst gewezen worden waar de uitgang zich bevindt: zij kunnen het probleem dus niet zelfstandig oplossen; het moet ze geleerd worden. Andere hondjes kijken links en rechts, doen een paar stapjes terug, vinden - zoef - binnen enkele seconden de uitgang en storten zich in de armen van de tester. Weer andere doen er wat langer over en werpen zich systematisch tegen het hekje tot ze ineens de uitgang vinden (trial and error methode).

Door de test vervolgens te herhalen, wordt het leervermogen van de pup getest. Je ziet dan dat sommige hondjes die eerst wanhopig waren, nu wel binnen een paar seconden de uitgang vinden, terwijl andere pups er nog even veel moeite mee hebben.

 

 

De pup wordt gelokt met iets lekkers en dit wordt voor zijn neus, dus hij ziet het in een koker gestopt, zo dat de pup er net niet bij kan.

Er wordt gekeken of de pup op onderzoek gaat in die koker en of hij gebruik maakt van zijn neus, maar ook poten en/of tanden en of de pup een doorzettertje is of niet. Later krijgt hij als beloning een beetje uit de koker.

Leervermogen en probleemoplossend vermogen worden vaak op een hoop gegooid en met elkaar verward. Vooral van honden die een goed leervermogen hebben, die dus gemakkelijk oppikken wat ze is aangeleerd, wordt er vaak vanuit gegaan dat ze ook een goed probleemoplossend vermogen hebben. Helaas, want deze vermogens gaan lang niet altijd samen en als dit niet door de baas/trainer wordt onderkend dan kan dat tot allerlei misverstanden, frustratie en ergernis bij baas en hond leiden. De baas moet er namelijk rekening mee houden dat zijn hond in dat geval (goed leervermogen, maar slecht probleemoplossend vermogen), het geleerde in een nieuwe, veranderde situatie niet kan toepassen en het dus weer opnieuw aangeleerd moet krijgen.

Hij moet dus bijvoorbeeld niet denken: deze hond heeft bij de puppycursus perfect geleerd om door een behendigheidstunnel te gaan, dus zal hij ook wel uit zichzelf begrijpen dat hij door een rioolbuis kan lopen. Door een dergelijke hond wordt de buis namelijk in het geheel niet met de tunnel geassocieerd; je moet hem opnieuw uitleggen dat hij daar ook doorheen kan. Boos worden als de hond niet door de buis wil gaan is dan ook niet alleen funest voor het vertrouwen van de hond in de baas maar ook uitermate oneerlijk: de hond vertoont immers geen onwil, maar begrijpt niet wat er verlangd wordt.

 

Bij de opvoeding en training van de pup dient er uiteraard steeds rekening gehouden te worden met het leervermogen. Uiteraard mag je van een hond met een goed leervermogen meer en sneller iets eisen. Maar rekening houden met de mate van het probleemoplossend vermogen is zeker net zo belangrijk, zo niet belangrijker. Voor de training van honden met een slecht probleemoplossend vermogen is het raadzaam om wat je aan wilt leren in veel wisselende situaties en vormen aan te bieden, waarbij je het geduld en het begrip moet opbrengen om steeds weer een heleboel stapjes terug te doen. Hoe moeilijk dat kan zijn weet ik uit eigen ervaring, want ik hoor mijn instructeur nog geduldig zeggen als ik weer eens uitriep dat mijn hond (met overigens een uitstekend leervermogen) dat toch allang zou moeten kunnen: "Ja, alleen in deze situatie niet."

Bij een pup die echter een goed probleemoplossend vermogen heeft, moet je daarentegen terdege afvragen wat je hem aan wilt leren en wat daarvan de consequenties kunnen zijn. Je moet er immers op bedacht zijn dat de hond het geleerde ook in heel andere situaties kan gaan toepassen en je moet je dus afvragen waarmee de hond het aangeleerde nog meer kan associëren. Als hierover niet goed wordt nagedacht kan het namelijk tot gevolg hebben dat de hond zich binnen de kortste keren ook allerlei ongewenste vaardigheden eigen maakt. Als je een hond met een goed probleemoplossend vermogen bijvoorbeeld leert over hoge hordes of een klimschutting te springen, dan moet je er wel rekening mee houden dat het best wel hoge tuinhek voor deze hond niet lang meer een barrière zal vormen. Bij een hond met een slecht probleemoplossend vermogen hoef je daar niet zo bang voor te zijn, omdat het niet zo gauw in hem op zal komen om zijn vaardigheden ook op het tuinhek uit te proberen.

De puppytest biedt slechts een indicatie voor het probleemoplossend en leervermogen van de pup. Om deze goed te meten zijn veel meer testen nodig (het boek van Stanley Coren, The intelligence of dogs biedt daarvoor een aardig handvat). Maar hoe deze verstandelijke vermogens tot uiting en ontwikkeling komen is bovendien sterk afhankelijk van allerlei karaktereigenschappen, zoals ondernemings- en onderzoekingslust, will to please, stabiliteit, zekerheid, afhankelijkheid, angstgevoeligheid etc. Die bepalen mede of de hond uit zichzelf over het tuinhek zal springen of niet. Daarom blijft het devies: kijk goed naar je eigen hond, observeer zijn gedrag en probeer het grondig te analyseren. De training en opvoeding van je hond wordt een stuk gemakkelijker als hij is gebaseerd op wederzijds begrip.

 

Zoals gezegd is het doel van de in deze aflevering beschreven testonderdelen, met uitzondering van het volgen, om te kijken hoe de pup reageert op dwang (op rug liggen), verzorging (aaien) van de mens. Hierbij komt de pup op schoot van de tester te zitten terwijl ze hem aait/kriebelt, gekeken wordt of de pup ook dit accepteert en contact maakt,. Daarna legt ze de pup 30 seconde op de rug in haar armen ook nu wordt de pup goed geobserveerd.

Daarna wordt de pup op de grond gezet en gekeken wat het gedrag dan is.

Blijft de pup bij de tester of gaat hij/zij op onderzoek.

Dit alles zegt iets gedrag en over het karakter van de hond

Maar al tref je onder de Flatcoats in dit opzicht een rijke schakering in gedrag aan, vergeleken met andere rassen zijn het echte ‘middenmoters’: extremen, zoals extreme onzekerheid of aan de andere kant juist dominantie die kunnen leiden tot gedragsproblemen als respectievelijk angstagressie en dominante agressie, komen voor zover mij althans bekend is bij de flatcoat niet voor. Of het nu een pup met veel pit is of een ‘watje’, met een verstandige, hondvriendelijke en vooral consequente opvoeding zullen vrijwel alle Flatcoat pups opgroeien tot leuke, vrolijke honden met een grote mate aan will-to-please.

Daarna gaat de tester met de pup, kijken hoe hij reageert op geluid en visuele prikkels met een hard rammelend blikje en een fel gekleurde paraplu.

En wordt de pup gelokt en gecorrigeerd met de stem, als de pup direct reageert is eenmaal voldoende

Daarna wordt de test afgesloten met nog een keer de apporteer spelletjes.

Als laatste onderdeel van de test wordt de pup geconfronteerd met een andere hond in een neutrale houding, gekeken wordt wat dan de eerste reactie is van de pup.

Als de pup wat meer tijd krijgt/neemt dat hebben ze als snel door dat de hond niet echt is.

Maar de meeste pups zijn wat impulsief en nemen net niet genoeg tijd om het speelgoed hond te herkenen.

Van ieder pup wordt van de test  een verslag geschreven welke de eigenaar mee krijgt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het karakterprofiel

Aan het einde van de puppytest wordt door de tester en de schrijver samen een karakterprofiel opgesteld.
De testers lopen het lijstje op het formulier af en geven aan welke eigenschappen zij hebben waargenomen en in welke mate.
Zo ontstaat een genuanceerd beeld van het type en het temperament van de pup.
Het referentiekader dat de testers daarbij gebruiken is de ‘gemiddelde’ retriever.
Zij vergelijken de pup dus met de andere retrievers die zij in de loop der (vaak vele) jaren hebben getest.
Veel van de in de puppytest genoemde eigenschappen zijn duidelijk voor iedereen.

Werklust

Er wordt gekeken of de pup tijdens de test gebruik maakt van zijn onderzoek/exploratie drang. Ook het gebruik van zijn neus , door de pup langst een spoortje te laten lopen, onder de wind te brengen van evt vlees of wild.

Verder kijken we naar zijn tempo tijdens de test tijdens het werken, (het apporteren)

Ook beoordelen we de buit/prooidrift  en beoordelen we het doorzettingsvermogen Hoe graag wil hij bijv het vlees, Maar ook als hij steeds terug gaat naar een plek die lekker ruikt en probleemoplossend vermogen met behulp van het hekje van de pup.

Ook wordt er gekeken of de pups gemakkelijk te motiveren is om samen dingen te doen,

Sociaal gedrag:

Maakt de pup gemakkelijk contact met de mens en hond .

Of negeert hij de hond of tester, of is hij wel heel erg overdreven vriendelijk .

Hoe benaderd hij , maakt hij lichamelijk contact  Doet hij dit meteen of kijkt hij eerst de kat uit de boom.

Wat doet hij met zijn buit, gaat hij die meteen brengen, of wil hij het zelf houden

Is hij te lokken en over te halen om het te komen brengen, of wil hij het houden en loopt weg met het apportje en gaat het soms verstoppen

Is hij zelfstandig tijdens de test of zoekt hij steun, door bijv steeds bij de tester te kruipen

Zoekt hij altijd steun bij de tester of alleen als het spannend is

Trainbaarheid / mensgerichtheid

Dat de pup de leiding van de mens niet (zonder meer) of moeilijk accepteert en zich ertegen verzet als de mens hem in zijn (bewegings)vrijheid beperkt.
Het gaat hier altijd om bewust, doelgericht verzet, om een zich niet willen schikken, zonder dat daarbij sprake is van angst.
Ook moet het gaan om situaties waarbij er duidelijk sprake is van contact tussen hond en mens.
Wat doet de pup  is hij tester gericht, dwz blijft hij bij de tester, maakt veel oog contact en reageert attent op de tester en werk graag samen,  Of werkt wel samen , maar heeft wat aanmoediging nodig  Of gaat liever zijn eigen gang en moet dor de tester bij de les gehouden worden.

Wil hij zijn buitdelen, geeft hij zijn buit speeltje/blaadje makkelijk af of wil hij het houden door een trekspelletje of loopt hij weg met de buit.

Is de pup gevoelig voor een stem correctie, breekt hij meteen af, of gaat hij gewoon door.

Schrikt hij en gaat hij likken (sorry) of loopt hij weg of duikt de pup ineen en is hij erg onder de indruk.

Hert sociale gedrag, hoe gaat de pup om met de tester , wil hij samenwerken, of gaat de pup zijn eigen gang.

Hoe is de pup bezig en de manier waarop hij met de tester samenwerkt  Zo ook bij de testhond.

Hoe gaat hij op de hond af, Vriendelijk of lomp, of negeert hij de hond of is hij bang er van.

Ook wordt er gekeken naar de samenwerking tussen de pup en tester

Trainbaarheid
Als een pup tester gericht is dan betekent het dat hij gemakkelijk contact maakt met een vreemde die daar zijn best voor doet en dat hij het ook leuk vindt om samen met die persoon wat te ondernemen.
Indien de pup tijdens de test de tester bij wijze van spreken niet eens ziet staan en de tester er maar niet in slaagt om contact met de pup te krijgen, dan scoort de pup in de categorie ‘op zichzelf’.
Hieruit kan men afleiden, dat wanneer de pup niet gemakkelijk contact maakt met een vreemde, hij dat in eerste instantie ook niet zal doen met zijn nieuwe eigenaar(s).
Sommige honden zijn echter niet zozeer ‘op zichzelf’, maar zijn gewoon eenkennig.
Als de nieuwe baas kans ziet om zo’n pup voor zich te winnen, dan kan het dus best zo zijn dat deze het vuur uit zijn sloffen gaat lopen voor zijn baasje en enorm baasgericht wordt.
In het algemeen zal dat echter niet vanzelf gaan.

Net als ieder mens heeft iedere hond een geheel eigen, unieke karakter en dus ook een eigen ‘gebruiksaanwijzing’.
Wie gevoel heeft voor het karakter van zijn hond en er bij de training en opvoeding rekening mee houdt, zal (als hij het goed doet) een geweldige kameraad krijgen waarmee hij kan lezen en schrijven.
Het is echter niet altijd even eenvoudig om het gedrag van je hond te ‘lezen’ en te begrijpen; het vereist veel tijd en(zelf)studie.
Het karakterprofiel van de puppytest kan daarbij een ‘reiswijzer’ zijn.
Aan de hand van het karakterprofiel kan men de pup indelen op basis van temperament en basistype, en zo bij de opvoeding en training rekening houden met zijn mogelijkheden.

Stabiliteit

Hier wordt gekeken naar de achtervolging drift, is de pup te motiveren om achter een prooi te gaan.  Is hij attent op de omgeving, wat doet de pup met de signalen, lawaai bijv auto, is hij dan onder de indruk of signaleert hij het en gaat gewoon door.

Zonder dat de pup angstig wordt reageert hij wel op de prikkels, maar laat zich er niet door afleiden.

Impulsiviteit: hoe gaat hij om met verschillende situaties  Merkt hij alles op en gaat hij er op in, snel afgeleid of merkt hij de prikkels op maar gaat gewoon zijn eigen gang

Zelfvertrouwen

Heeft de pup zelfvertrouwen in zichzelf , of schrikt hij snel en zoekt veel steun . Zo ook mentale stabiliteit  Heeft de pup zelfvertrouwen met een aangepast sociaal gedrag, of gaat hij pup onzeker gedrag vertonen of ook baldadigheid  als overcompensatie kan een emotionele  reactie zijn.

Herstelvermogen, hoe hersteld hij vlot, of heeft hij veel of weinig ondersteuning nodig Zo ook hoe zelfstandig is de pup Onderneemt hij zelfstandig actie, of heeft hij ondersteuning nodig .

Verder wordt er gekeken hoe hij reageert op geluid (rammelend blikje) visueel (paraplu) en het herstel Ook wordt er gekeken of de pup stapelde tijdens de test , dus reageren met minder actie als reactie op het onbekende en of de pup van dit  alles angstig is geweest  Hij kan dit laten zien door zijn houding , vlucht gedrag  en of hij hier snel van herstelde

 

Hierna worden voornamelijk wat pup gerichte tips gegeven voor  het opvoeden van deze pup